Kraanvogels richting het Vanmeer

“Het was lente. De sneeuw op de Ararat begon te smelten. De onderkant van de rode rotsen werd zichtbaar; hier en daar kwamen al gele voorjaarsklokjes op. Heel in de verte trok een vlucht kraanvogels met grote vleugelslagen voorbij; ze vlogen in de richting van het Vanmeer”.

Hoe kan het, dat je begin maart in Drenthe een groep kraanvogels hebt gezien (wat al best bijzonder is), en bezig bent met de voorbereiding van een reis naar onder andere het Vanmeer in Oost-Turkije, dat je dan bovenstaande zinnen tegenkomt? Ze staan in het boek De legende van Ararat van Yaşar Kemal. Een Turkse schrijver van Koerdische afkomst. Een klein verhaal met prachtige natuurbeschrijvingen en de beschrijving van de eeuwige strijd tussen platteland en stad, de machthebber tegenover de kleine, achtergestelde man. De bergbewoner, die ogenschijnlijk geen macht heeft, maar toch – als ze met velen zijn – een verandering teweeg kan brengen.

Het verhaal speelt zich af in de omgeving van Dogubeyazit.

Dorpsbewoner Ahmet wordt gemangeld door de Pasha (titel van de gouverneur of generaal in het Ottomaanse rijk). Ahmet heeft volgens de letter van de wet gelijk, maar de Pasha misbruikt zijn macht om hem hiervan af te houden. Wat Ahmet ook doet, hij trekt aan het kortste eind en komt uiteindelijk in de kerker van het paleis terecht. De dochter van de Pasha wordt verliefd op Ahmet. Ze vluchtten beide uit het paleis en krijgen ergens anders onderdak. Natuurlijk tegen het zere been van de Pasha, die steeds kwader wordt en zijn grip op de situatie kwijtraakt. Zijn eer en die van het hele Ottomaanse rijk lijkt in het geding.

En dan komen de bergbewoners in opstand. Door massaal op te trekken naar het paleis van de Pasha en daar drie dagen zwijgend te staan, raakt de Pasha behoorlijk zenuwachtig en probeert een list te verzinnen, die ook weer over de ruggen van de mensen gaat.

De steeds terugkerende vertelling: “Elk jaar wanneer op de Ararat de lente met haar sterk geurende, felgekleurde bloemen ontwaakt, komen robuuste herders met hun mooie, weemoedige donkere ogen en hun lange, slanke vingers naar het Kruikmeer. Op de koperkleurige aarde in zijn aloude lentetooi, onder aan de rode rotsen, gooien ze hun vilten capes af en gaan daarop zitten, aan de oever van het meer. Nog voordat de dag is aangebroken, halen ze hun fluit uit hun gordel en onder de flonkerende sterren heffen ze het lied aan van de woede van de Ararat. Van zonsopgang tot zonsondergang spelen ze door. Wanneer de zon ondergaat, komt er een sneeuwwit vogeltje aangevlogen. Pijlsnel scheert het over het meer. Het beschrijft grote witte cirkels, die stuk voor terechtkomen in het diepe blauw van het meer. En als de zon onder is, stoppen de fluitspelers met hun spel. Ze steken de fluit in hun gordel en staan op. Dan daalt het vogeltje in volle snelheid als een bliksemschicht neer en slaat met één vleugel in het blauw van het meer. Dit doet het vogeltje drie keer, om daarna weg te vliegen en uit het zicht te verdwijnen. Hierna gaan ook de herders een voor een stilletjes weg, en worden opgenomen in de duisternis.”

Het dorp ligt vlakbij de splitsing van lange karavaanwegen: “Even verderop liep een grote karavaanweg. Alle wegen uit Arabië, Trabzon en uit Anatolië kwamen hier samen en leidden naar Iran, Turan, Voor-Indië en China. Iedere karavaanreiziger die hierlangs kwam, wie het ook was, uit welk land hij ook kwam, legde wat geld aan de voet van de eikenboom, soms veel, soms weinig. Tijdens feestdagen werd het geld verdeeld onder de armen.”

(Onlangs hoorde ik over de duduk, een Armeens fluitinstrument, gemaakt van abrikozenhout. Het instrument schijnt vaak gebruikt te worden in filmmuziek om een melancholische sfeer op te roepen. Zou het kunnen dat de herders uit deze legende de duduk bespeelden? Hoe dan ook, In Kars gingen we op zoek naar een muziekwinkel, waar we een duduk fotografeerden).

Foto bovenaan deze pagina is gemaakt door iemand van onze vriendengroep. (Copyright Jan E. )